Jurisprudentie overzicht fiscaal erfrecht maart/april 2016

We geven een kort overzicht van recent gepubliceerde uitspraken die ons opvielen.

Huur woning moeder van zoon – huur lager dan 6% van de woz-waarde

In 2010 heeft moeder een woning aan haar zoon overgedragen onder voorbehoud van een huurrecht. De koopprijs en de huurprijs zijn vastgesteld door een beëdigd taxateur. In 2011 overlijdt de moeder. Naar aanleiding hiervan is tussen de zoon en de inspecteur een geschil ontstaan over de vraag of de fictiebepaling van art. 10 successiewet 1956 van toepassing is op de woning

Volgens het hof is dat het geval omdat de door moeder betaalde huurprijs lager is dan 6% van de woz- waarde. Het hof heeft de stelling van de zoon verworpen dat art. 10 lid 3 successiewet naar zijn strekking toepassing mist omdat de zoon een marktconforme koopprijs heeft betaald voor de verwerving van de woning en zijn moeder een marktconforme huurprijs heeft betaald.

Voorts heeft het hof het beroep van de zoon op het besluit van 4 april 2012 afgewezen omdat het besluit slechts ziet op overdrachten van woningen die voor 2010 hebben plaatsgehad. De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep van de zoon.[1] Volgens de Hoge Raad wordt ingevolge art. 10 lid 3 successiewet de erflater in geval als het onderhavige geacht een genot van vruchtgebruik te hebben gehad wanneer de door hem betaalde huurprijs van een woning niet ten minste gelijk is aan 6% van de met toepassing van de wet Woz in aanmerking te nemen waarde van de woning in onbezwaarde staat.

Bij de verkoop van de woning is een huurovereenkomst gesloten waarbij de huur is vastgesteld op EUR 650 per maand dat is aanzienlijk minder dan 6% van in aanmerking te nemen woz-waarde in 2010 en in 2011. Die bedroegen respectievelijk EUR 221.002 en EUR 216.000. De fictiebepaling van art. 10 successiewet is daarom in het onderhavige geval naar zijn bewoordingen van toepassing. Het betoog van de zoon dat partijen strikt zakelijk hebben gehandeld en dat art. 10 lid 3 successiewet dan naar zijn strekking buiten toepassing blijft treft geen doel.

Uit de parlementaire geschiedenis van art. 10 lid 3 successiewet komt naar voren dat deze bepaling is ingevoerd op een eenvoudige en toegankelijke regeling tot stand te brengen die ook geldt als dit er toe leidt dat in individuele gevallen te hoog of een te laag rendement in aanmerking wordt genomen. De wetgever heeft daarbij scherp willen begrenzen op welke gevallen art. 10 lid 3 successiewet van toepassing is. De vraag of partijen daadwerkelijk strikt zakelijk hebben gehandeld behoeft geen behandeling.

Onroerende zaken tegen te lage prijs verkocht – schenking

Een echtpaar was tot 20 maart 2013 onder huwelijkse voorwaarden gehuwd geweest. Zij hadden in juli 2010 met elkaar een koopovereenkomst gesloten met betrekking tot de verkoop van onroerende zaken. Volgens inspecteur was de koopprijs, die was gebaseerd op een taxatie door een makelaar, te laag. Bij de taxatie was ten onrechte rekening gehouden met bodemvervuiling van een deel van de zaken. Dit zou tot gevolg kunnen hebben dat de verkoop gezien kan worden als een schenking. Er moet voor een schenking sprake zijn van verrijking van de ontvanger, verarming van de schenker, en de vrijgevigheid van de schenker, waarbij de bewustheid van vrijgevigheid bij beide betrokken moet zijn vastgesteld.

De rechtbank Gelderland kwam tot het oordeel dat de inspecteur aannemelijk had gemaakt dat de verkoop had plaatsgevonden tegen een aanzienlijk te laag bedrag. [2] Volgens de rechter was er geen sprake van bodemvervuiling. Ook was aannemelijk dat het echtpaar wist dat er geen sprake was van vervuiling een schenking werd aangenomen.

Verschuldigd successierecht over afgekochte kapitaalverzekering geen aftrekbare kosten voor inkomstenbelasting

Belanghebbende X, de zus, is enig erfgenaam van haar op 3 februari 2009 overleden broer. X koopt de na het overlijden van haar broer tot uitkering gekomen kapitaalverzekering met lijfrenteclausule af. Bij de heffing van het successierecht is ter zake van de uitkering rekening gehouden met een belastinglatentie van 30%. In de inkomstenbelastingaanslag wordt de uitkering van het kapitaal tevens belast.

In geschil is of de zus het over de uitkering geven successierecht in aftrek kan brengen op grond van art. 3.108 werd IB 2001. Rechtbank Noord-Holland oordeelt dat het betaalde successierecht kwalificeert als aftrekbare kosten in de zin van voornoemd artikel. Hof Amsterdam oordeelt echter dat het betaalde successierecht niet kan worden aangemerkt als een op een uitkering of verstrekking drukkende kostenpost gemaakt tot verwerving, inning of behoud van een uitkering of verstrekking.[3] Hof Amsterdam stelt hierbij vast dat het vermogensrecht dat de zus door het overlijden van haar broer heeft verkregen niet het belastbare feit voor de inkomstenbelasting vormt. Volgens Hof Amsterdam heeft namelijk het niet tenuitvoerleggen van de lijfrenteclausule geleid tot een met inkomstenbelasting belaste bate. De aanslag blijft om die reden in stand. In cassatie stelt de zus dat er sprake is van de uitoefening van een wilsrecht in de zin van art. 45 lid 3 successiewet 1956.

De Hoge Raad oordeelt dat er geen sprake is van uitoefening van een wilsrecht in de zin van artikel 45 lid 3 successiewet 1956.[4] Volgens de Hoge Raad kan de beslissing van de zus om de lijfrenteclausule niet tot uit uitvoering te brengen en de verzekeringsovereenkomst in zoverre niet uit te voeren, namelijk niet worden aangemerkt als, of gelijkgesteld worden met, de uitoefening van een wilsrecht in de zin van art. 45 lid 3 successiewet 1956. Volgens de Hoge Raad is er dan ook geen sprake van dat het successierecht is geheven over een met een met inkomstenbelasting belaste bate. De Hoge Raad bevestigt de uitspraak van het Hof.

Advocaten en Fiscalisten