Jurisprudentie-overzicht januari 2016

We geven een overzicht van uitspraken die ons opvielen in de afgelopen maand. Deze maand bespreken we onder meer uitspraken over waarderingsperikelen rondom maatschapsaandelen in agrarische bedrijven, verplichtingen van executeurs en gefailleerde erfgenamen.

Waardering van aandeel in agrarisch bedrijf

De waardering van een maatschaps- of vennootschapsaandeel in een agrarische onderneming leidt regelmatig tot discussie. Veelal wordt een dergelijk aandeel gewaardeerd tegen de ‘agrarische waarde’, een zodanige waarde dat een overnemende maat de maatschap na betaling daarvan ‘nog juist lonend voort kan zetten’. Die agrarische waarde ligt vaak ver onder de waarde in het economisch verkeer. Dit leidt in de afwikkeling van nalatenschappen met regelmaat tot geschillen tussen de voortzettende erfgenaam en andere erfgenamen, nu de voortzettende erfgenaam tegen een relatief geringe waarde een groot deel van het vermogen van de erflater verkrijgt.

In een uitspraak van 27 januari 2016 [1] deed de rechtbank Rotterdam een opvallende uitspraak door te oordelen dat:

anders dan [de zoon] stelt – in de onderhavige zaak waardering van de landbouwgronden naar de waarde in het economisch verkeer geen belemmering zou zijn geweest voor een (lonende) voortzetting van het landbouwbedrijf in 1990 door moeder en [de zoon] , nu [de dochter] en [de zoon] in 1990 alleen een niet-opeisbare vordering voor hun erfdeel hebben verkregen. Het ging destijds dus niet om een toedeling van het bedrijf tegen een waarde waartegen toen moest worden afgerekend. Ook feitelijk is gebleken dat de voortzetting van het bedrijf tot het overlijden van moeder op 8 november 2013 mogelijk is gebleven. Daar komt bij dat het in 1990 volstrekt onvoorzienbaar was op welk in de toekomst gelegen moment tot afrekening met [de dochter] zou moeten worden overgegaan. Er is daarom geen reden in dit geval op grond van de redelijkheid en billijkheid af te wijken van de regel dat de waardering moet plaatsvinden naar marktwaarde. De rechtbank volgt daarom [de dochter] in haar stelling dat de landbouwgronden moeten worden gewaardeerd naar de marktwaarde in 1990.

De rechtbank wijst de vordering van de dochter toe. Het is, voor zover ons bekend, de eerste keer dat is afgeweken van waardering tegen agrarische waarde. Die afwijking is wat ons betreft onder deze omstandigheden zeer terecht.

Ook op fiscaal vlak kwam in januari 2016 de waardering van een aandeel in een agrarisch bedrijf aan bod. Op 29 januari 2016 wees de Hoge Raad een arrest over de waardering van maatschapsaandelen [2]. Een in gemeenschap van goederen gehuwde man en vrouw dreven samen een agrarisch bedrijf in de vorm van een maatschap. Na het overlijden van de man dienden zowel het aandeel van de vrouw, dat op grond van huwelijksvermogensrecht voor de helft tot de nalatenschap behoorde, als het aandeel van de man, dat op grond van het erfrecht voor de helft tot de nalatenschap behoorde, te worden gewaardeerd.

Het hof heeft beide aandelen in het in cassatie bestreden arrest apart gewaardeerd [3]. Het hof oordeelt onder verwijzing naar een tweetal arresten, dat in gemeenschap van goederen gehuwde echtgenoten niet gerechtigd zijn tot vennootschappelijke goederen op basis van een tussen hen bestaande gemeenschap van goederen, maar dat zij een vordering krijgen ter hoogte van de helft van de waarde van het vennootschappelijk aandeel van hun wederhelft. De man was dus gerechtigd tot de helft van de waarde van het aandeel van de vrouw en vice versa. Vervolgens moeten beide aandelen worden gewaardeerd. Het hof past daarvoor twee verschillende grondslagen toe.

Uitgangspunt bij waardering van een maatschapsaandeel is hetgeen is bepaald in de maatschapsovereenkomst, zo overweegt het hof. Op grond van een in de maatschapsovereenkomst opgenomen verblijvingsbeding wordt de waarde van het aandeel van de overleden man in dit geval gesteld op de overnamewaarde, zijnde EUR 340.425. Het aandeel van de vrouw wordt echter gewaardeerd op de liquidatiewaarde, zijnde EUR 708.675. Het hof legt daaraan ten grondslag dat de maatschap door het overlijden van de man is ontbonden. Op de vrouw rustte daarom niet langer de verplichting haar aandeel door een ander over te laten nemen tegen de overnamewaarde. Op grond van artikel 21 lid 4 Sw zoals deze gold ten tijde van het overlijden (2006) moet daarom worden uitgegaan van de liquidatiewaarde van haar aandeel.

De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep van de vrouw tegen dit arrest van het hof.

Verplichtingen van executeur

Twee uitspraken over verplichtingen die rusten op een executeur vielen ons op. Zo bevestigde de Hoge Raad [4] dat de verplichting van een executeur om rekening en verantwoording af te leggen een persoonlijke verplichting is, die met het overlijden van de executeur teniet gaat. De erfgenamen van de executeur volgen hem niet op in zijn executeurschap en ook de daaraan verbonden rechten en plichten gaan niet over. Zij kunnen niet worden aangesproken om na het overlijden van de executeur namens hem rekening en verantwoording af te leggen.

De rechtbank Midden-Nederland verplichtte een executeur in een alleen in de Notamail (2016/21) gepubliceerde uitspraak om een voorschot uit te keren aan een erfgenaam. De erfgenaam is werkloos, maar komt op grond van de Participatiewet niet in aanmerking voor een uitkering op basis van zijn gerechtigdheid tot de nalatenschap, die ruim EUR 2,6 miljoen aan activa en geen schulden omvat. De nalatenschap is echter nog niet verdeeld, zodat de erfgenaam niet over zijn aandeel daarin kan beschikken. Hij verkeert in acute financiële nood en vraagt om een voorschot van EUR 25.000. De voorzieningenrechter wijst dit verzoek toe, nu de nalatenschap ruimschoots toereikend is en er niets aan de uitkering van het voorschot in de weg staat.

Uitleg testament

Ook de uitleg van testamenten is een onderwerp dat tot veel procedures leidt. Aan het uitleggen van een testament wordt pas toegekomen als het testament zelf onvoldoende duidelijk is. De rechtbank Rotterdam [5] diende te oordelen over de uitleg van een testament waarin was bepaald: “Voor het geval ik na of tegelijk in de zin der wet met mijn genoemde echtgenoot kom te overlijden, beschik ik als volgt: Ik bekrachtig bij deze de vererving van mijn nalatenschap volgens de bepalingen der wet voor vererving bij versterf.”

Erflater was nadien gescheiden en vervolgens hertrouwd. De tweede echtgenoot stelde zich op het standpunt dat hij erfgenaam was nu hij de echtgenoot van erflaatster was, haar kinderen meenden van niet, nu hij niet de ‘genoemde echtgenoot’ was. De rechtbank oordeelt vervolgens dat het testament moet worden uitgelegd ‘omdat partijen ieder een andere uitleg van het testament voorstaan’. Dat is een bijzondere redenering, nu de bewoording van het testament duidelijk lijkt. De ‘genoemde echtgenoot’ wordt immers in hetzelfde testament ook daadwerkelijk bij naam genoemd. Die echtgenoot wordt benoemd tot erfgenaam, niet enig echtgenoot met wie erflaatster is gehuwd ten tijde van haar overlijden. Via de weg van uitleg komt de rechtbank Rotterdam uiteindelijk ook tot die conclusie. De tweede echtgenoot is geen erfgenaam.

Procesrecht – faillissement beneficiair aanvaardende erfgenaam

Tot slot een procesrechtelijk interessante uitspraak van het hof Den Bosch [6]. Een beneficiair aanvaarde nalatenschap wordt vereffend door de erfgenamen. Eén van de erfgenamen is failliet verklaard. Een schuldeiser van de nalatenschap dagvaardt de vereffenaars q.q. Ook de failliete vereffenaar wordt zelf q.q. gedagvaard, terwijl de in zijn faillissement benoemde curator niet in de procedure wordt betrokken. Het hof oordeelt dat dit juist is, nu tot het einde van de vereffening geen vermenging van de nalatenschap met het eigen vermogen van de erfgenamen plaats vindt, zodat de nalatenschap een afgescheiden vermogen vormt. Nu de failliete boedel van de vereffenaar bij de afwikkeling van de nalatenschap (nog) niet betrokken is, is de vereffenaar ondanks zijn faillissement bevoegd om als gedaagde in rechte op te treden in deze kwestie, zo oordeelt het hof – ons inziens terecht – onder verwijzing naar artikel 25 Fw.

Advocaten en Fiscalisten