Jurisprudentie-overzicht september 2015

We geven een kort overzicht van recent gepubliceerde uitspraken die ons opvielen.

Procederen

Diverse uitspraken werden gepubliceerd waarin de vraag aan de orde kwam of de juiste procespartijen wel in de procedure betrokken waren. Een moeder die op basis van een boedelvolmacht een vordering instelde, die toekwam aan de nalatenschap, werd in twee instanties in het ongelijk gesteld. In de dagvaarding stond zij slechts in persoon vermeld als eisende partij, zonder dat daarbij een toevoeging was opgenomen waaruit bleek dat zij namens de gezamenlijke erven of de nalatenschap procedeerde. Het Hof voegt daar in hoger beroep nog aan toe dat een bepaalde hoedanigheid niet pas in hoger beroep kan worden aangevoerd en dat dit verzuim dus niet meer kan worden hersteld. [1] Ook de man die samen met zijn broer erfgenaam was van hun overleden vader, maar als enige een vordering tot betaling van niet-genoten verlofuren tegen de werkgever van de erflater instelde, werd niet-ontvankelijk verklaard. Hoewel hij een volmacht tot procederen van zijn broer bezat, werd ook hier in de dagvaarding geen melding gemaakt van het feit dat de man mede in hoedanigheid van gevolmachtigde van zijn broer procedeerde. [2]

Ten slotte werd geoordeeld over een bewindvoerder die namens een onderbewindgestelde betaling van een geldsom vordert. Tijdens de procedure overlijdt de onderbewindgestelde. De gedaagde partij verzoekt niet-ontvankelijkverklaring van de bewindvoerder, nu het bewind door het overlijden is geëindigd. De rechtbank honoreert dit verzoek niet en overweegt dat de bewindvoerder verplicht blijft datgene te doen dat niet zonder nadeel van de rechthebbende – in dit geval de erfgenamen – kan worden uitgesteld, totdat degene die na hem tot het beheer van de goederen bevoegd is dit beheer heeft aanvaard. Nu de erfgenamen de procedure niet hebben overgenomen, blijft de bewindvoerder bevoegd en zelfs verplicht de procedure voort te zetten. [3]

Stiefkinderen en legitimarissen

In een vonnis van de rechtbank Midden-Nederland van 2 september 2015 wordt heel helder uiteengezet hoe stief- en eigen kinderen worden behandeld bij een beroep op de legitieme portie. De rechtbank behandelt stap voor stap de regels voor het vaststellen van de legitieme portie, de legitieme aanspraak en de inkorting. [4]

Erflaatster heeft één dochter. Deze dochter is samen met drie stiefkinderen en één stiefkleinkind benoemd tot erfgenaam, ieder voor gelijke delen. Het zuivere saldo van de nalatenschap is afgerond EUR 67.707, zodat ieder van de erfgenamen gerechtigd is tot EUR 13.541. Daarnaast hebben alle erfgenamen bij leven van erflaatster een schenking van EUR 22.500 gekregen.

De dochter doet een beroep op haar legitieme. De rechtbank stelt eerst vast dat de legitimaire massa EUR 67.707 plus vijf maal EUR 22.500, dus EUR 180.207 bedraagt. Het breukdeel is 1/2 nu de dochter de enige erfgenaam uit categorie a is, zodat haar legitieme portie EUR 90.103 bedraagt. Na aftrek van haar verkrijging krachtens erfrecht en haar gift blijft een legitimaire aanspraak van EUR 54.062 over.

De vraag die vervolgens voorligt is ten laste van wie deze aanspraak moet worden voldaan. De hoofdregel is dat testamentaire makingen worden ingekort, maar artikel 4:91 lid 1 BW staat daaraan wellicht in de weg voor zover de erfgenamen stiefkinderen van erflaatster zijn. Stiefkinderen kunnen alleen worden ingekort als de totale waarde van de makingen en giften die zij ontvangen meer dan twee keer zo groot is als de legitieme portie van het eigen kind zou zijn geweest als deze stiefkinderen eigen kinderen zouden zijn. In dit geval zou dat betekenen dat de verkrijging van de stiefkinderen meer dan twee keer zo groot moet zijn als de waarde van de legitieme portie indien uit zou zijn gegaan van vier kinderen. Het breukdeel wordt dan 1/8 en de legitieme portie zou dan (EUR 180.207/8) EUR 22.526 zijn geweest. Twee maal dit bedrag is EUR 45.052. De stiefkinderen verkrijgen ieder een erfdeel van EUR 13.541 en een gift van EUR 22.250, totaal dus EUR 36.041. Dat is minder dan twee maal de ‘fictieve legitieme’ van artikel 4:91 lid 1 BW, dus mogen de stiefkinderen niet worden ingekort.

Deze beschermingsbepaling geldt echter niet voor het stiefkleinkind. Zij is de enige die voor inkorting in aanmerking komt. Omdat het tekort van de legitimaris meer bedraagt dan haar verkrijging krachtens erfrecht en de eerder verkregen schenking, blijft dat stiefkleinkind met lege handen achter. Haar making wordt volledig ingekort en haar gift dient zij aan de legitimaris te voldoen.

Voorschot loon vereffenaar

De wet kent geen bepaling waarin aan de vereffenaar een voorschot op zijn loon wordt uitgekeerd. In een recente zaak voor het hof Arnhem-Leeuwarden werd de vraag aan de orde gesteld of dat betekent dat het niet mogelijk is dat aan de vereffenaar een voorschot wordt voldaan. [5] Het Hof beantwoorde die vraag ontkennend. Het Hof wijst op het feit dat zeker in complexe en bewerkelijke nalatenschappen die veel tijd vragen het benoemen van een vereffenaar zonder een bevoorschotting wellicht niet mogelijk is. Dat acht het Hof onwenselijk.

Het Hof oordeelt daarom dat een vereffenaar een voorschot op zijn loon kan krijgen, maar in dat geval wel overeenkomstig de verplichtingen die gelden voor de curator periodiek verslag dient af te leggen. Op die manier kunnen de werkzaamheden en daarmee de noodzaak en de hoogte van het gevraagde voorschot worden gecontroleerd.

Het Hof overweegt ten slotte dat het loon van de vereffenaar moet worden voldaan vóór alle overige kosten van de nalatenschap, de kosten van lijkbezorging daarvan uitgezonderd.

Advocaten en Fiscalisten