Zwijgen is niet altijd goud

Wie opzettelijk een goed dat tot een gemeenschap behoort verzwijgt, zoek maakt of verborgen houdt, verbeurt zijn aandeel in dat goed aan de andere deelgenoten, zo bepaalt artikel 3:194 lid 2 BW. Het is een bepaling die, ook in het erfrecht, grote gevolgen kan hebben en recent tot een aantal rechterlijke uitspraken heeft geleid.

Verzwijgen van bankrekeningen – verbeurd voor verdeling

Het waarschijnlijk meest klassieke geval deed zich voor in de zaak waarover de rechtbank Oost-Brabant op 28 oktober 2015 over oordeelde [1]. Twee broers en een zus zijn gezamenlijk enig erfgenamen van hun moeder. Broer A neemt de afwikkeling van de nalatenschap op zich. Tot de nalatenschap behoort ook het saldo op twee Belgische bankrekeningen. In overleg met zijn zus besluit broer A over deze banksaldi verder te zwijgen. De notaris en broer B wordt over het bestaan van de Belgische bankrekeningen niets verteld. Op enig moment wordt broer A door broer B expliciet gevraagd naar het bestaan van de rekeningen. Daarop antwoordt broer A ontkennend. Pas als broer B zelf informatie boven water heeft gekregen over het bestaan en het positieve saldo van de rekeningen, wordt aan hem alsnog een derde deel daarvan uitbetaald. Als verweer op de vordering van broer B dat broer A en zijn zus hun aandeel in de saldi hebben verbeurd, stellen broer A en zijn zus dat zij de nalatenschap af wilden wikkelen ‘in de geest van hun moeder’. Moeder zou haar tweede zoon niets hebben willen geven en dus hebben zij eigenlijk niets verzwegen, menen zij. Dat dit de wens was van moeder blijkt echter niet uit het testament, waarin alle kinderen tot erfgenaam voor gelijke delen zijn benoemd. De rechtbank overweegt dat zij wel degelijk opzettelijk een tot de gemeenschap behorend goed hebben verzwegen. Dat zij uiteindelijk, toen zij niet anders meer konden, toch over zijn gegaan tot uitbetaling van een deel van de saldi kan hen naar het oordeel van de rechtbank ook niet meer baten. Zowel broer A als de zus verbeuren hun aandeel.

Hoewel niet met zoveel woorden vermeld, zal aan dat oordeel van de rechtbank Oost-Brabant vooral ook de opzettelijke verzwijging nadat daarnaar expliciet is geïnformeerd ten grondslag liggen. De Hoge Raad oordeelde op 4 december 2015, oudere jurisprudentie bevestigend en onder verwijzing naar de memorie van toelichting, dat een aandeel in een goed ‘uiterlijk wordt verbeurd’ indien het op het moment van verdeling verzwegen wordt [2]. Eerder verbeuren kan, zo schrijft Perrick in Asser 3-V nummer 161, bijvoorbeeld plaatsvinden als het bestaan van een goed wordt ontkend of als een boedelbeschrijving is opgemaakt waar het bewuste goed opzettelijk buiten is gehouden.

Schenking of verduistering

In een andere zaak lag de vraag voor of de overboeking van EUR 643.497 van de Zwitserse bankrekening van moeder naar de privé-rekening van gevolmachtigde broer A een schenking was of dat dit saldo door deze broer zonder recht of titel was verkregen [3]. In dat laatste geval had de nalatenschap een vordering uit hoofde van onverschuldigde betaling op hem, en die vordering had hij voor zijn broer B verzwegen. Broer B vorderde dan ook verbeurdverklaring van deze vordering en betaling van het volledige bedrag aan hem.

Het hof Den Haag overweegt dat de bewijslast van het bestaan van een schenking op broer A rust. Aan die bewijslast kan hij niet voldoen, nu nergens uit blijkt dat moeder de intentie heeft gehad een dergelijk bedrag te schenken en daarover niets op schrift is gesteld, terwijl broer A zelf heeft verklaard dat zijn moeder zeer goed thuis was in financiële zaken. Daar komt bij dat moeder de overboeking niet zelf verrichtte, maar broer A naar Zwitserland reed om ter plekke het saldo naar zijn rekening te laten overschrijven. Het hof acht het onder deze omstandigheden niet bewezen is dat sprake was van een schenking.

Vervolgens ligt de vraag voor of de vordering uit onverschuldigde betaling bewust is verzwegen. Bij beantwoording van die vraag hecht het hof onder meer waarde aan de eigen verklaring van broer A, die stelt broer B niets te hebben verteld over de Zwitserse rekening en het bestaan daarvan wellicht ook te hebben verzwegen. Het hof meent echter dat broer A had moeten weten dat van een schenking geen sprake was en direct – en niet pas een jaar later – melding had moeten maken van het overgeboekte bedrag. Door dit bewust niet te doen, heeft hij het goed verbeurd. Het hof benoemt niet met zoveel woorden waarin het ‘bewust verzwijgen’ is gelegen, maar oordeelt ‘[d]at [broer A] later tot inkeer is gekomen en de vordering heeft gemeld aan [broer B] (..) de sanctie niet [doet] vervallen; het gaat er immers om dat hij geprobeerd heeft op enig moment de vordering buiten de verdeling te houden’.

Tot inkeer komen

Voor een vergelijkbaar bedrag – EUR 666.600 – was de mogelijkheid om tot inkeer te komen volgens de rechtbank Amsterdam echter nog niet verkeken [4]. Dit bedrag werd aangetroffen in een bankkluis en was afkomstig van een Zwitserse bankrekening van erflater.

Bij leven is in totaal een bedrag van deze bankrekening opgenomen van EUR 800.000. Voor dat bedrag is na overlijden van de erflater ook gebruik gemaakt van de inkeerregeling, aangezien erflater bij leven geen aangifte van het saldo op deze rekening had gedaan. Na het overlijden is door twee van de drie dochters, zus B en zus C, een bedrag in contanten aangetroffen in de woning van erflater.

Als de bij de inkeerregeling betrokken fiscalist van de zussen vraagt naar de opnames van het bedrag van EUR 800.000 verklaren alle zussen niet bekend te zijn met deze opnames en niet te weten waar het geld zich nu bevindt. Dat blijkt later niet juist: zus B en zus C verklaren een bedrag van EUR 666.600 na de vondst daarvan in een kluis te hebben bewaard.

Zus A vordert bij de rechtbank verbeurdverklaring van de volledige EUR 800.000 door zus B en C, nu zij het bestaan daarvan voor haar verzwegen hebben. De rechtbank oordeelt dat het in de kluis aangetroffen bedrag niet is verbeurd, nu nog geen verdeling heeft plaatsgevonden. De rechtbank meent dat aan de vereiste opzet zware eisen moeten worden gesteld en dat bij de afwikkeling van nalatenschappen vaak veel emoties betrokken zijn. In dat licht bezien oordeelt de rechtbank dat nu nog geen boedelbeschrijving is opgemaakt en geen verdeling plaatsvond, het moment waarop niet meer tot inkeer gekomen kon worden nog niet was aangebroken.

Dat geldt niet voor de resterende EUR 134.000. De rechtbank acht voorshands bewezen dat dit bedrag wel in de woning van erflater aanwezig was, nu het ook in contanten is opgenomen, het bedrag is meengenomen in de inkeerregeling en de zussen daartegen geen bezwaar hebben gemaakt. Slagen zus B en zus C niet in het hen opgedragen tegenbewijs, dan zal de rechtbank oordelen dat zij hun kans om tot inkeer te komen ten aanzien van dit bedrag hebben verkeken.

Het oordeel ten aanzien van de EUR 666.600 uit de bankkluis had ook anders uit kunnen vallen. Ook deze zussen hebben, net als de broers in de uitspraken van de rechtbank Oost-Brabant en hof Den Haag, op enig moment ontkend bekend te zijn met het betreffende goed, terwijl zij daar feitelijk wel bekend mee waren. Er is in deze zaak (voor zover ons bekend) nog geen eindvonnis gewezen, dus hoger beroep is (nog) niet ingesteld.

Legitimaris

Wie in ieder geval geen beroep kan doen op artikel 3:194 lid 2 BW is de legitimaris. Dit bevestigde de rechtbank Amsterdam op 28 oktober 2015 nog eens [5]. Een legitimaris is geen deelgenoot in de gemeenschap van de nalatenschap, maar heeft slechts een vorderingsrecht op de nalatenschap. Als een goed jegens de legitimaris wordt verzwegen, kan de legitimaris een vordering instellen om de vaststelling van de legitieme portie te doen wijzigen, maar meer dan een vordering ter hoogte van zijn aandeel uit hoofde van het beroep op de legitieme in het verzwegen goed zal de legitimaris daarmee niet kunnen verkrijgen.

Tot slot

Het is als deelgenoot in een gemeenschap nooit een goed idee om een tot de gemeenschap behorend goed te verzwijgen. Voor erfgenamen geldt daarnaast dat zij ook schenkingen die kunnen leiden tot inkorting op hun verkrijgen zullen moeten melden (zie W. Snijders, Van Mourik-bundel p. 364-365). Daarbij loopt een erfgenaam naast het risico van verbeurte van zijn aandeel ook het risico om met zijn privévermogen aansprakelijk te worden voor schulden van de nalatenschap op grond van artikel 4:184 onder c BW.

Advocaten en Fiscalisten