Van de Deken: gedragsregel 12

Tegen de tijd dat dit balie bulletin bij u op de deurmat valt, draai ik als deken alweer een tijdje mee.

Ik zou u natuurlijk graag deelgenoot willen maken van mijn eerste ervaringen bij de vervulling van deze mooie functie, doch realiseer mij direct dat een groot deel van mijn werkzaamheden in de eerste paar maanden betrekking had op een dossier dat geen van de advocaten in dit arrondissement zal zijn ontgaan. Daar gelaten dat ik mij niet kán uitlaten over individuele zaken, zou het bespreken daarvan een doublure opleveren.

Graag deel ik wel met u mijn ervaringen naar aanleiding van de recente contactmomenten met de leden van de balie. Deze bestaan, behalve uit een goed bezochte jaarvergadering op 29 oktober 2009 en een even goed bezochte Nieuwjaarsborrel op 8 januari 2010, uit vele individuele contacten met advocaten. Deze contacten ervaar ik voor het overgrote deel als zeer plezierig. Helaas brengt de functie van deken met zich mee dat sommige contacten duidelijk een toezichtkarakter in zich dragen en de inhoud daarmee prevaleert.

Het is een groot goed dat frequent contact bestaat tussen de leden van de balie en de deken. De functie van deken is, zo ervaar ik dat tot op heden, gelukkig zeker geen overbodige.

Inmiddels heb ik wel ervaren dat gedragsregel 12 een belangrijke representant is van aanleidingen voor contacten met de deken. U weet het allemaal, regel 12 speelt een rol in die situaties waar advocaten in rechte een beroep wensen te doen op brieven of mededelingen tussen advocaten. Gelet op het aantal verzoeken dat mij in verband met regel 12 bereikt, kan ik slechts constateren dat in rechte veelvuldig beroep wordt gedaan op confraternele correspondentie. Zelf heb ik daar in de praktijk weinig behoefte aan gehad.

Het lijkt mij nuttig nog even voor u uiteen te zetten hoe deze regel werkt. Voor daarmee te beginnen, is het van belang te beseffen dat deze regel enige jaren geleden op de nominatie stond om te worden afgeschaft. In de visie van vele advocaten was het uitgangspunt dat op confraternele brieven in rechte geen mededelingen mochten worden gedaan achterhaald. Uiteindelijk is besloten deze regeling wel te handhaven. De gedachte daarachter is dat advocaten vrijelijk met elkaar moeten communiceren zonder erop bedacht behoeven te zijn dat hun woorden in rechte worden gewogen. Nu deze regel is gehandhaafd, zullen wij ook naar deze regel moeten handelen.

Nu de praktijk. Regel 12 schrijft voor dat:

  • op brieven en andere mededelingen tussen advocaten in rechte geen beroep mag worden gedaan,
  • tenzij het belang van de cliënt dit bepaaldelijk vordert,
  • maar dan slechts nadat overleg tussen de betrokken advocaten heeft plaatsgehad en:
  • indien dit overleg niet tot een oplossing heeft geleid voordat in rechte een beroep, als hiervoor bedoeld, wordt gedaan, het advies van de Deken wordt ingewonnen.

De hoofdregel is dus vrij eenvoudig: in beginsel kan in rechte geen beroep worden gedaan op brieven of mededelingen tussen advocaten. Dit wordt (uiteraard) niet anders in het geval een advocaat in een brief aan een andere advocaat schrijft dat hij zich het recht voorbehoudt bedoelde brief in rechte over te leggen.

De enige uitzondering op de hoofdregel wordt gevormd indien sprake is van brieven of mededelingen waarvan het belang van de cliënt “bepaaldelijk vordert” dat daarop in rechte een beroep wordt gedaan. Wanneer is hiervan sprake? De Amsterdamse Deken heeft dit met grote instemming wel verwoord als indien het voor de procedure van doorslaggevend belang kan zijn dat een beroep op een dergelijke brief of mededelingen wordt gedaan.

Van deze uitzondering kan slechts gebruik worden gemaakt in het geval overleg met de advocaat van de wederpartij heeft plaatsgehad. Mijn ervaring is dat dit overleg in de meeste gevallen wel tot een oplossing zal leiden. Bijvoorbeeld indien de advocaat beoogt met het in het geding brengen van een brief een stelling te bewijzen, terwijl de advocaat van de wederpartij blijkt die stelling in het geheel te willen betwisten en bereid is die stelling te erkennen. In dat geval ontbreekt het bepaaldelijk belang van de cliënt, nu een stelling enerzijds anderzijds zal worden erkend. Op deze wijze kan dus worden voorkomen dat het in het geding brengen van een brief met bijvoorbeeld een sommatie of een vastlegging van een overeenstemming noodzakelijk is.

Pas als overleg als hierboven bedoeld niet tot een oplossing leidt, kan advies worden gevraagd aan de deken. Het is mij gebleken dat met een zekere regelmaat advies wordt gevraagd, terwijl het hiervoor bedoelde overleg niet heeft plaatsgehad. Correspondentie tussen advocaten over de vraag of in rechte een beroep op een brief of mededeling kan worden gedaan beschouw ik niet als overleg. Wanneer ik constateer dat geen overleg heeft plaatsgehad, dan zal ik de advocaat die zich tot mij wendt met een verzoek om advies niet kunnen adviseren.

Mocht het toch komen tot een advies, dan is het aan de advocaat het advies al dan niet op te volgen. Zoals een enkele advocaat in de praktijk helaas heeft moeten ondervinden, behoeft het advies van de deken niet overgenomen te worden door de Raad van Discipline. Anders gezegd, indien de deken een positief advies geeft, blijft het de verantwoordelijkheid van de advocaat zelf om de afweging te maken al dan niet in rechte een beroep op een brief of mededeling te doen. De Raad van Discipline kan een dergelijke handeling als klachtwaardig aanmerken ondanks dat de deken er anders over denkt. Omgekeerd kan een advocaat in weerwil van een negatief advies van de deken toch besluiten in rechte een beroep op brieven of mededelingen te doen, zonder dat de Raad van Discipline dit klachtwaardig acht. Ik merk daarbij wel op dat het niet opvolgen van een negatief advies van de deken door de Raad van Discipline niet op prijs wordt gesteld.

Tenslotte merk ik nog op dat in het overgrote gedeelte van de gevallen wederhoor wordt toegepast.

Ik sluit graag af met de opmerking dat ik u verzoek om in voorkomende gevallen duidelijk bij het onderwerp aan te geven dat u vraagt om advies als bedoeld in regel 12. U begrijpt wel waarom.

Nu de actualiteit: ik ga mij thans verdiepen in de onlangs in werking getreden verordening op de praktijkuitoefening. Het is geen geheim dat de Utrechtse fractie van ons College van Afgevaardigden tegen invoering van deze verordening, althans in de vorm zoals deze thans is aangenomen, heeft gestemd. Wat hiervan zij, de verordening is in werking getreden en wij zullen ons daaraan dienen te houden.

Ik tref u graag in groten getale bij het symposium over de comparitie dat op 18 februari a.s. in samenwerking met de rechtbank wordt georganiseerd.

 

Share on LinkedInTweet about this on TwitterShare on Facebook

Advocaten

Huan Tan

Huan Tan

+31 (0)88 30 300 31 tan@benvalor.com