Van de Deken: gedragsregel 7

Tegen de tijd dat deze editie van ons Balie Bulletin op de deurmat ligt, zal ons land hopelijk nog steeds in oranje zijn gehuld en zullen de landelijke pleitwedstrijden alweer gehouden worden. Een oorzakelijk verband hiertussen lijkt mij ver te zoeken, maar toch…

Onze inzending is Renate Boeters van Van Diepen Van der Kroef. Super gedaan! Met recht heeft zij de plaatselijk pleitwedstrijden op haar naam weten te schrijven. Haar naam prijkt dus nu op de Professor Van Dijk-bokaal. De landelijke finale vindt plaats op 10 juli ’s-middags op de rechtbank. Ik zal er zijn!

Inmiddels heeft u het door, iedere nieuwe editie een andere gedragsregel. Nu regel 7. Deze regel komt bij mij niet dagelijks aan bod, maar zorgt toch regelmatig voor het nodige denkwerk.

De theorie is, voor wat betreft gedragsregel 7, weerbarstiger dan de praktijk. Het komt met een zekere regelmaat voor dat advocaten mij bellen met de vraag of in een bepaalde zaak voor een bepaalde cliënt met het oog op een al dan niet aanwezig tegenstrijdig belang kan worden opgetreden. Vrijwel altijd ligt het antwoord besloten in de, wellicht retorische, wedervraag welke twijfel hieromtrent bestaat. Anders gezegd, als bij een advocaat de vraag opkomt of het hem of haar vrijstaat in een bepaalde zaak op te treden, dan is het antwoord vaak negatief. In de meeste gevallen hoeven de gedragsregels niet eens te worden nageslagen. Ons natuurlijke gevoel leidt ons tot deze vraag en daarmee veelal tot het voor de hand liggende antwoord. In de praktijk zal het dus niet vaak voorkomen dat wij ons schuldig maken aan de overtreding van regel 7. Helaas is gebleken dat regel 7 toch de nodige problemen kan veroorzaken.

Prof. Bannier wijdt in zijn eerder dit jaar verschenen boek “Zoals een behoorlijk advocaat betaamt”  een heel hoofdstuk aan belangenconflicten. De historie en de theorie van regel 7 komen uitvoerig aan bod. Ik had natuurlijk liever de tekst van Bannier op deze plek overgenomen: dat was voor u en mij het meest eenvoudig geweest. Ik volsta met het eenvoudig verwijzen naar het boek van Bannier. Het is lezenswaardig, en niet alleen maar vanwege de valkuilen waarin andere advocaten zijn gevallen. Ik bespreek graag regel 7 lid 4 met u.

Bannier signaleert dat voorheen het adagium: “eens cliënt, altijd cliënt” gold. Dit bracht met zich mee dat een advocaat nooit zou optreden tegen een (voormalig) cliënt. Hoe anders is dit nu in de wereld van de commercialisering, althans in vergelijking tot het verleden? Het verbod om tegen (voormalig) cliënten op te treden is niet meer zo absoluut als voorheen. Van advocaten kan niet meer gevergd worden dat zij nooit meer tegen voormalige cliënten optreden. De kantoren zijn daar te groot voor geworden en de cliënten, vanuit onze positie gezien, te volatiel.

Vraag is natuurlijk wanneer je nu wel tegen een voormalig cliënt kunt optreden. Zoals van Bannier te leren valt, biedt niet alleen regel 7, doch ook de vertrouwelijke band tussen de advocaat en de cliënt daartoe houvast. Regel 7 gaat, aldus Bannier, hand in hand met de geheimhoudingsverplichting van de advocaat en uiteraard het vertrouwen in de advocaat. Het is niet de bedoeling dat een cliënt die een advocaat in vertrouwen heeft genomen die advocaat op enig moment tegenover zich ziet en moet vrezen dat informatie die hij met zijn advocaat heeft gedeeld tegen hem wordt gebruikt. Dit is de grens, althans dit is een van de grenzen, die in de gaten dient te worden gehouden. Twee voor de hand liggend voorbeelden: doe geen alimentatiezaak tegen iemand die u in een ontslagzaak hebt bijgestaan en doe geen incasso tegen een voormalige cliënt die u hebt geholpen de problemen met zijn bank op te lossen.

Maar is dit wel zo absoluut? Is het anders indien bijvoorbeeld enige tijd is verlopen tussen de ontslagzaak en de alimentatiezaak (of tussen het geschil met de bank en de incasso)? Biedt regel 7 lid 5 in deze uitkomst? De hoofdregel blijft dat het niet is toegestaan tegen een (voormalige) cliënt op te treden, behoudens bijzondere uitzonderingen. Dit geldt ook de (voormalige) cliënt van een kantoorgenoot. De uitzonderingen van lid 4 spreken voor zich en dienen restrictief te worden uitgelegd.

Lid 6 biedt uitkomst indien de (voormalig) cliënt het allemaal best vindt en er geen bezwaar in ziet dat u of zijn voormalig kantoor opeens tegen hem optreedt, veelal ingegeven door de gedachte dat men dan weet  met wat voor kantoor men te maken heeft. Maar wellicht ook ingegeven door de stille hoop dat men dan niet zo “hard” zal worden aangepakt? Let op, ondanks dat uw (voormalige) cliënt schriftelijk zal hebben aanvaard dat u of uw kantoor thans tegen u optreedt, kan de (voormalige) cliënt op zijn instemming terugkomen. In de regel dient u dat dan te billijken en alsnog als advocaat terug te treden. In dit verband is nog van belang te beseffen dat bedoelde toestemming van de voormalige cliënt u niet ontheft van uw geheimhoudingsverplichting ten aanzien van hetgeen de voormalige cliënt aan u heeft toevertrouwd.

Hoe kom ik hier nu op? Op 21 november 2009 heeft de Raad van Discipline Den Bosch een uitspraak gedaan (H177-2008 en H119-2009) waarin pijnlijk duidelijk wordt dat (kort gezegd en voor zover hier relevant) een (voormalige) cliënt (Holding BV) in een laat stadium nog kan klagen over het aanvaarden van een benoeming als curator door een kantoorgenoot van de (voormalige) advocaat van een werkmaatschappij van de failliete Holding BV. Volgt u het nog? Hoe dan ook, het loopt niet goed af met de beklaagden.

Waar leidt dit toe? Tot een eenvoudige tip de hoofdregel het adagium “eens cliënt, altijd cliënt” aan te houden. Mocht u toch tegen een voormalig cliënt op willen treden, u weet nu in ieder geval wat de risico’s zijn….

Share on LinkedInTweet about this on TwitterShare on Facebook

Advocaten

Huan Tan

Huan Tan

+31 (0)88 30 300 31 tan@benvalor.com